27-10-04

Interview met auteur en regisseur Pier De Kock

Het fort in onze hoofden...

Een gesprek met Pier De Kock, auteur en regisseur van "21"

>>>FOTO:  Het bekroonde "Aan Tafel!!!" - project van Pier DeKock  in Gent >>>

Pier De Kock is een theatermaker die weet hoe hij thema’s, die op het eerste zicht buiten onze leefwereld liggen, razend dichtbij kan brengen, hoe hij met verhalen bruggen kan slaan tussen tijdperken en continenten. Hij maakt geen vrijblijvende kunst. Hij wil sporen nalaten, onuitwisbare indrukken. Met de theatertrein "21" is hij zeker niet aan zijn proefstuk. Een gesprek met een geëngageerd theatermaker.

"Kunst moet een litteken achterlaten"is jouw leuze. Wat bedoel je daarmee?

Pier: Als ik een voorstelling speel, of als ik er een regisseer, of als ik een set begeleid, dan weet ik dat ik een spoor nalaat bij het publiek. Dat kan vormelijk zijn, of inhoudelijk. En om het te verankeren tracht ik als theatermaker vooral de emotie te gaan benaderen, of te laten ontstaan. En ik denk dat dat de grootste verankering is die je kunt hebben. En als je aan die emotie een beeld kleeft, of een dramatisch moment, of een mise en scène, dan blijft de herinnering eraan altijd wel ergens zitten. Eigenlijk is dat een soort fotografische sculptuur die ik wil achterlaten. Bij het project "Aan tafel!" in Gent, waarbij een hele buurt via een ontbijt aan een gigantische tafel verbroedert... als je die foto ziet, dan is een beeld dat je nooit meer vergeet. Als je bij "een kat op een heet zinken dak" de openingsscène en de eindscène ziet, dan zie je wat ik noem een soort poëtische eenvoud, maar ook een enorme schoonheid. Het gevoel dat je voelt opborrelen als kijker, als toeschouwer, als deelnemer in een project, dat zijn dingen die je je niet kan vastpakken, maar die je ook niet meer kwijt raakt. Dat is het soort litteken dat ik wil achterlaten.Beroeren, dat wil ik doen. Mensen beroeren.

Dat ‘mensen willen beroeren’, is dat voor jou een vorm van geëngageerd theater maken?

Pier: Ik werk nooit ongeëngageerd. Alleen, maak ik een sterk verschil met pamflettair theater, denk ik. Ik vertrek vanuit een zeker onrechtvaardigheidsgevoel. Vervolgens moet je inhoud en vorm / beeld durven losrukken, moet je de suggestie zijn werk laten doen, ruimte geven aan wat onder het voor-de-hand liggende verscholen zit. Dan wordt het interessant.

Maar je maakt als theatermaker toch heel uitdrukkelijke keuzes. Kan je aan de hand van een aantal projecten, oudere projecten eens even jezelf situeren als theatermaker.

Pier: Dat is een evolutie hé. Het is begonnen in ’83 met een stukje dat ik gemaakt heb, toen was ik vooraan in de 20, voor kinderen: "Pietje Langneus tegen de kernraketten". Dat was fundamenteel een heel eenvoudig en eerlijk stuk, het was open en heel duidelijk. Die vent wilde geen kernraketten vlakbij, hij had een preiplantje, en dat was veel beter. Hij wilde preiplantjes, geen kernraketten. En ik was vertrokken: ik toerde heel Vlaanderen rond om te gaan spelen. Toen liep ik nog stage als vormingswerker bij "Vuile Mong en De Vieze Gasten". Eigenlijk ben ik daar gepokt en gemazeld als theatermaker, bij de ‘Vieze Gasten’.

En hoe heeft die stage je beïnvloed in het theater maken nadien?

Pier: Dat heeft me ontzettend beïnvloed, omdat ik daar terechtkwam in een groep die vrij collectief werkte, ik kon ook meedenken en discussiëren over wat er ging gemaakt worden. Hun aanpak en hoe ze omgingen met humor heeft een diepe indruk nagelaten. Het heeft mij ook in die mate beïnvloed dat ik nog altijd duidelijke keuzes maak in mijn geëngageerdheid. Het is een beetje in vorm geëvolueerd, maar het is wel degelijk aanwezig: ik ga er alleen subtieler mee om dan vroeger. Maar ja, ik ben ook ouder geworden...

In ’86 heb ik een gezelschap gevormd waar ik nog altijd voor werk "Zwemmen in brak water", en toen ben ik begonnen met monologen te spelen. Bij "De Vieze Gasten" ben ik eind jaren ’80 als acteur in dienst gegaan, en ik heb ze opnieuw verlaten, en dan ben ik opnieuw solo begonnen met monologen te spelen. Allemaal monologen die vanuit een engagement vertrokken zijn. Van Sago kreeg ik op een bepaald moment de vraag om iets te maken rond Zuid-Amerika. Zo is ‘Boias Frias’ gekomen..Een verhaal over twee broers, twee landloze boeren.

Daarna kwam een opdracht van vzw Mensenbroeders. Voor hen schreef ik in ’96 "Een dans teveel". Over de relatie tussen arbeid bij ons en in de derde wereld. Twee verhalen waren dat: een verhaal van een vrouw hier, Martina Kokova, dochter van een Poolse migrant, een mijnwerker. Een jong meisje wiens vader vroeg is gestorven, en die zich ontwikkelt tot een knappe madam, open geest, vol energie, vol eerlijkheid. Zij krijgt dankzij de meestergast de kans om als ploegbaas te beginnen in een bedrijf, die danst met haar "een dans te veel". En als haar buik te dik was, mocht ze vertrekken. Vanaf dat moment gaat ze helemaal de spiraal naar beneden, en geraakt ze in de vierde wereld. De tweede verhaallijn die daarin schuift, is het verhaal van een jongedame die in een bedrijf in de vrijehandelszone werkt, waar je dus geen vakbondsrechten hebt, en ze slaagt erin om beetje bij beetje toch enkele rechten te verkrijgen. Op het moment dat het leven voor haar een beetje lief begint te worden, krijgen ze daar een nieuwe "big chief". En dat is dezelfde die Martina Kokova zwanger heeft gemaakt, en die promotie heeft gemaakt in het buitenland. Dat zeg ik niet in de tekst, maar dat hoor je, en dat voel je aan wat er gezegd wordt en gedaan wordt. En die chef vraagt haar op het einde ook ten dans.

Voor Mensenbroeders heb ik in ’98 nog een tweede stuk gemaakt: "Nooit zonder jas", over de noodzaak aan een solidaire economie. Een verhaal dat zich afspeelt in politiemiddens en waarin ik eigenlijk de essentie van solidariteit heb trachten te ontrollen, in de context van het post-Dutroux tijdperk.

In ’99 ben deed ik mijn eerste regie: "De heks van Assenede". Daarbij ben ik erin geslaagd om met 3 gezelschappen één groep van spelers te vormen: met de katholieken, de socialisten, en de jongeren, die anders nooit met mekaar te maken hadden. Met die spelersgroep van 45 mensen hebben we voor een publiek van bijna 4000 in openlucht het stuk opgevoerd.

Ik heb ook 2 jaar les gegeven aan de hogeschool, bij de maatschappelijke werkers gaf ik drama. En daar voelde ik wel dat ik tot veel in staat was, dat ik als regisseur mensen over een grens kan brengen en kan optillen.

Zo doe ik elk jaar één regie, en voor 2004 had ik nog niet echt plannen. Toen werd ik gevraagd door vzw Motief. Een vraag vanuit het midden van de woestijn, waar geen grenzen zijn: wat gaan we doen, wie is die groep, wat is de thematiek, niets lag vast. Ik ben met een vijftiental mensen die wilden theater spelen rond de tafel gaan zitten en gesprekken beginnen voeren over wat hen bezighoudt, wat hen in het alledaagse leven raakt, tegen de borst stuit... Het zijn zeer lange gesprekken geweest, maar zo zijn we gekomen tot de ontwikkeling van een eerste primaire tekst, een herwerking van ‘Rhinoceros’ van Eugène Ionesco, waarin de oorspronkelijke tekst en de achtergrond van het fascisme bleef meeklinken en tegelijk de verhalen van de spelersgroep verwerkt zaten. Die tekst hebben we later toch weer laten vallen.

Ja, uit de gesprekken met de spelers kwam dus het thema van de verrechtsing naar boven,...

Pier: En het toeval wil dat ik net voordien, met mijn kinderen een bezoek bracht aan het Fort van Breendonk. Ik dacht dus meteen "als er één plek is waar je vandaag kan praten over verrechtsing en racisme, dan is het in Breendonk", want die plek die wordt nu vergeten, die wordt weggestoken. Dat is iets omwald, dat is een eilandje, wij kunnen er makkelijk omheen. Maar daar moet je naar terug.

En terwijl ik aan die eerste tekst aan het schrijven was, die bewerking van Rhinoceros, voelde ik dat het niet spits genoeg was. Het was mooi, maar teveel poëzie die kon blijven liggen op een kastje. Het bracht te weinig in beweging. Breendonk slaat in je gezicht. Ik heb toen in samenspraak met de groep besloten om die eerste tekst achter te laten, en samen naar het Fort te gaan.

En terwijl jij opnieuw begint te schrijven en je laat inspireren door het decors en de geschiedenis van Breendonk, lopen de nieuwsberichten over het kamp van Abu Ghraib binnen...

Pier: Breendonk bestaat nog op veel plaatsen. Fundamentalisme bestaat vandaag in heel veel vormen. En niet alleen veraf. Wij denken dat wij over een totale vrijheid beschikken, maar dat is niet zo. Wij worden ook op een bepaalde manier geconditioneerd. Het gebeurt alleen veel subtieler. Je kan er vaak je vinger niet op leggen. Je weet ook vaak niet wat je wel en niet kan vertrouwen. Neem nu het internet. Mijn kinderen surfen binnen de kortste keren hopen informatie bijeen. Maar van waar komt die informatie en klopt ze ook? Je moet daarover kritisch leren reflecteren, vragen stellen, of je slikt -zonder het goed te beseffen- een boel gevaarlijke onzin in. Er is zoveel informatie maar je loopt ook het risico om erin te verzuipen, en nog niets te weten.

De censuur van de overdaad...

Pier: De censuur van het kritiekloos consumeren.

Is onze vrijheid vandaag dan een schijnvrijheid?

Pier: Een complexe vrijheid alleszins. Je staat er niet bij stil, maar er zijn zes wereldpersagentschappen, volgens mij hé, Die hebben allemaal hun visie, hun inslag, hun kader, en van daaruit wordt informatie gekleurd. Bij ons gaan dan ook nog eens de journalisten, de televisiemakers, vanuit een regiestandpunt de vormelijkheid bepalen, en op die manier wordt opnieuw de inhoud gevormd.

Tegenover onze complexe vrijheid vind ik het gevangenenkamp Breendonk een heel krachtige metafoor. Die link leg ik bv. in de scène ‘Matachi’, waar een jonge vrouw vertelt over gevangen zitten in jezelf, in een lichaam met een kleur, in een wereld die door een mistige muur gescheiden wordt van die andere wereld waarin je geboren werd, waarin nog een moeder van je rondloopt, ver weg.

Of neem nu de scène van het communiefeest, een gesprek aan tafel. Dat is gewoon de spiegeldruk van iets wat je nu maatschappelijk overal tegenkomt. De verzuring die in zo’n gesprekken komt bovendrijven die bijna als vanzelf omslaat in Vlaams Blok taal, zonder dat mensen het zelf beseffen. Dat is hetgeen dat ik in een spiegel teruggeef dan.

Je haalt nu fragmenten aan: de tafel, Mataji... Zeg eens wat meer over dat concept dat je nu hebt van de theaterproductie "21".

Pier: Ik heb geprobeerd om via associaties en beelden van nu het leed en de pijn en het beangstigende van Breendonk toen, terug naar boven te halen. Het Fort van Breendonk is echter zodanig sterk, als monument, dat het zich niet als decors naar de achtergrond laat dringen. Dus ben ik met het fort in dialoog proberen te gaan. Ik heb getracht om teksten te maken in segmentjes, die niet aan elkaar hangen, die allemaal wel met diezelfde thematiek te maken hebben, maar die je als toeschouwer eigenlijk stukje per stukje tegenkomt, doorheen het fort. Het publiek wordt dus meegevoerd door het Fort als in een soort trein, en hier en daar worden ze met fragmenten theater geconfronteerd. Scènes die rechtstreeks en onrechtstreeks naar Breendonk refereren. Het ‘concerto van stemmen tegen de muur’, bijvoorbeeld, is een beeld van vroeger dat ik met stemmen van nu invul. Dat brengt die realiteit van zestig jaar geleden bij momenten benauwend dichtbij. Ik wil precies het probleem dat we makkelijk van ons kunnen wegduwen, terug heel dichtbij halen, tot je de poriën ziet. Iedereen zegt "ik ben geen racist", maar durven we dat ook in vraag stellen. Durven we vandaag zién waar het zich in onze eigen levens schuil houdt?

Is het daarom ook dat je ervoor hebt gekozen om het publiek eigenlijk letterlijk mee op sleeptouw te nemen, ze kunnen niet op hun achterwerk blijven zitten...

Pier: Dat heeft te maken met twee dingen: ten eerste vind ik dat je het publiek de kans moet geven, diegenen die er nog niet geweest zijn, om eens te voelen wat het Fort van Breendonk is. Ik vond dat we iets moesten doen met wat daar hangt van sfeer, aan geschiedenis, en die adem je pas echt in als je er doorheen wandelt. Ten tweede: qua architectuur op zich is dat gebouw juist daarvoor geschikt, en laat het niet toe dat ge daar in een zaal gaat zitten. De zalen die we daar hebben zijn qua klank niet geschikt: echo – echo – echo…

Is het geen risico om zo’n gigantisch groot project te gaan opbouwen met amateurs, met mensen die over het algemeen weinig ervaring hebben met toneelspelen?

Pier: Als ik zie hoe dat we nu aan het evolueren zijn, dan ben ik er alleen maar fier op. Nee, ik heb er geen schrik van. Omdat ik weet dat de puurheid van het willen acteren het graag doen en het enthousiasme van een amateur, dat is van zo’n grootheid, en spontaneïteit, die je nog zelden vindt bij beroepsacteurs.

Wat wil je bij het publiek dat "21" meemaakt losmaken ?

Pier: Dat Breendonk toen ook nu is. Dat de gruwel die daar plaatsvond geen ‘uitspatting’ was en is, toen was dat een deel van een systeem. Op het eerste zicht lijkt het misschien willekeurig geweld. Het ging zelfs zodanig ver dat de logica weg was van waarom en hoe en door wie? Er werden ergens twee nazi’s doodgeschoten door het verzet, en omdat te wreken koos men er tien van Breendonk uit. Komaan: nr. 1, 37, 45 en 28, enz. Weg. Gewoon pech. Maar dit was een systeem natuurlijk. Het is een gevangenkamp, maar de wereld is ook een gevangenkamp, de grenzen zijn niet duidelijk. De wereld staat vol torenhoge muren waar je niet over raakt. Zelfs een illegaal die over de muur van fort Europa is binnengeklauterd, die heeft nog veel onzichtbare muren te beklimmen hé. De wereld wordt één dorp, met verschillende culturen dan toch wel waarschijnlijk. Maar wat betekent multicultureel als je met mekaar niet omgaat, en met mekaar niet trouwt? Dan is dat gesepareerd leven. Dat gaat eigenlijk bijna naar apartheidsdenken. We hebben het zelfs afgeleerd om na te denken hoe het zou zijn om samen te leven, steeds minder mensen geloven nog dat dat kan. Dat zijn muren in ons denken. Het Fort zit nog steeds in onze hoofden.

>>> Elke Vandeperre


 


16:02 Gepost door Project Breendonk 21 | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Knap! Ongelooflijk knap in elkaaar gebracht. De tijd van toen en nu.
Dit is een project die vooral veel moed vraagt van iedereen die eraan meewerkt , meespeelt en vooral die ernaar gaat kijken.
Een dikke proficiat op voorhand is zeker niet misplaatst.
succes!
Herman Theunynck

Gepost door: Herman Theunynck | 29-01-05

De commentaren zijn gesloten.